Naar hoofd-content

Inkoopmarge berekenen

Van inkoopprijs naar verkoopprijs, met een rekenvoorbeeld.

1Marge versus opslag

Dit zijn twee verschillende dingen die vaak door elkaar worden gehaald. Opslag reken je over je inkoopprijs; marge reken je over je verkoopprijs. Een opslag van 50 procent levert een marge van 33 procent op, niet van 50.

Wie die twee verwart, denkt structureel meer te verdienen dan er binnenkomt. Spreek daarom altijd af welke van de twee je bedoelt, zeker in gesprekken met een leverancier of een boekhouder.

2Alle kosten meenemen

Je werkelijke inkoopprijs is niet het bedrag op de factuur. Tel transport erbij, opslagkosten, uitval en derving, betalingskorting die je misloopt, en de uren die je aan bestellen en ontvangen kwijt bent.

Vergeet je betaaltermijn niet. Betaal je binnen veertien dagen terwijl je klant na zestig dagen betaalt, dan financier je je eigen omzet, en dat kost geld ook al staat het nergens als kostenpost.

3Een rekenvoorbeeld

Je koopt in voor 10 euro per stuk en verkoopt voor 15 euro, allebei exclusief btw. Je opslag is dan 50 procent en je brutomarge 33 procent, oftewel 5 euro per stuk.

Komt er 1 euro transport per stuk bij en reken je 5 procent uitval, dan is je werkelijke kostprijs ongeveer 11,55 euro en houd je 3,45 euro over: een marge van 23 procent in plaats van 33. Dat verschil bepaalt of je verdient of niet.

4Marges per branche

Marges lopen sterk uiteen. In branches met hoge omloopsnelheid en veel volume is de marge per stuk dun; bij traag lopende, specialistische artikelen ligt hij hoger omdat je langer voorraad draagt.

Vergelijk je eigen cijfers dus binnen je eigen branche, niet met een percentage dat je ergens hoorde. Wat telt is niet de marge per stuk maar wat je per jaar per geïnvesteerde euro overhoudt.

Zelf een leverancier zoeken

Zoeken en aanvragen is gratis voor inkopers. Alle bedrijven zijn gecontroleerd bij de Kamer van Koophandel.